17 augustus: Hendaye - St. Palais

Een overwoekerd schuurtje in het Baskische landschap.
De tijd was gekomen voor de eerste etappe: een vrij lange 'openings-etappe'
eigenlijk. Het voerde voor meer dan 90 kilometer door heuvelachtig Baskisch
landschap. Het weer was voor mij prima: 26 graden en in het begin bewolkt.
Ik fiets nu eenmaal beter als het niet zo heet is. Ik besloot om met een
groepje mee te gaan over de Col de St. Ignace, wat wel inhield dat er nog
meer kilometers gemaakt moesten worden.
Op de Col de St. Ignace maakte ik kennis met de aardige Franse gewoonte
om fietsers om de kilometer te informeren hoe ver het nog is naar de top en
hoe steil het is in de volgende kilometer. Maar toen ik de top bereikte vond
ik de groep niet meer en ik dacht dat ze verder geklommen waren. Jazeker, er
was een weg die nog verder omhoog ging. Hoe verder ik echter kwam hoe drukker
het werd. Er was een toeristische attractie hier, of anders kwam men voor de
winkels. Op een gegeven moment kon ik niet verder rijden, omdat het verkeer
te langzaam ging om rechtop te blijven klimmen. Bij het plaatsje St. Pée
kwam ik weer op de originele route, maar vanaf dat moment kwam ik lange tijd
geen reisgenoten meer tegen.
Om niet te laat binnen te komen, besluit ik de sokken erin te zetten. Langs
plaatsjes met Baskische namen rijd ik: Ustaritz, Jatxou en Urcuray (klinkt
als iets uit Lord of the Rings). Door heuvelachtig agrarisch
landschap rijdt ik en ik ben net aan een afdaling begonnen als ik plotseling
een beest langs mijn been zie vliegen en een steek voel. Ik knijp in de
remmen en zie nog een angel zitten die ik tussen duim en wijsvinger eruit
trek. Later hoor ik dat je zo het bijengif (want het beest was een bij) in
de huid duwt. Dat zou ik nog gaan merken.
In het plaatsje Bonloc kom ik dan toch weer mensen tegen. Een van hen, Ton,
is gevallen en ik rijdt met hem mee naar St. Palais, zodat hij het rustiger
aan kan doen. Uiteindelijk blijk ik degene die het rustiger aan moet doen,
want ik heb de hele dag nog niet goed gegeten, hetgeen resulteert in een
hongerklop. Ik gebruik het enige eetbare wat ik nog bij me heb, een zakje
winegums, om de laatste kilometers te halen.
Op de camping zie ik een rode plek rond de bijensteek steeds groter worden,
tot wel 15 centimeter doorsnee. Daarbij voel ik me ook niet echt geweldig
meer. Met enige moeite weet ik me naar de douche te werken, waar ik
dankbaar en lang onder ga staan.
|